Diverse zorgverleners binnen de eerstelijnszone springen in de bres in woonzorgcentra: een getuigenis van een huisarts in opleiding

  • 7 januari 2021

Het is dinsdag 5 januari en waar we andere jaren nog volop kussen uitdelen aan ieder die we tegenkomen, lijkt dit jaar de start van dat nieuwe jaar alweer vergeten. Ik zal deze middag wat bijspringen in een rusthuis dat stevig getroffen werd door ‘dat vies beestje’. Helemaal ingepakt en klaar voor de strijd ga ik de gang op waar ik mijn collega’s voor vandaag aantref. Ik zal het moeten doen met hun naam op het face shield en de kleur van hun ogen om hen te herkennen de rest van de namiddag.

 

 

Geen lange gezichten of afhangende schouders bij de verpleeg- en zorgkundigen op de afdeling, ik kan ze amper bijhouden wanneer ze van de ene naar de andere kamer marcheren. Zelf ziek geweest intussen maar alweer op de been, klaar om verder zorg te dragen voor onze meest waardevolle generatie. Ze vinden het een beetje onwennig om ‘de dokter te commanderen’, maar ik heb het graag zo: dit is hun terrein, zeg maar wat ik moet doen en ik zal volgen.

Een gevarieerde middag volgt waarin ik mezelf probeer zo nuttig mogelijk te maken. Het is fijn om, hoe kort ook, even met de mensen te kunnen praten. En zo ervaren zij het duidelijk ook. Dat het maar snel voorbij is, vertellen de bewoners mij, want nu zijn alle dagen hetzelfde. Als jongeling die dacht dat dat in een woonzorgcentrum altijd wel het geval was, word ik bij deze terecht gewezen.

Ik ga langs bij een bewoonster wiens man overleed op de cohorte-afdeling tijdens de eindejaarsperiode, hij wordt morgen begraven maar daar zal ze niet bij zijn. Het bed naast het hare is opgemaakt, de kamer is veel te ruim voor de vrouw die er nu alleen in vertoeft en niemand kan/mag haar eens goed vastpakken terwijl ze dit duidelijk zou kunnen gebruiken. Zij hebben zelfs geen knuffelcontact. Ik was graag het hare geweest, maar dan breek ik natuurlijk weer de regels.

Je zou kunnen beweren dat ik nu eens heb meegemaakt wat het moet zijn om een zorgverlener in een rusthuis te zijn, maar dat heb ik niet. Ik weet niet wat het is om iemands verzorgende, kapper, aanspreekpunt, apotheek, zoon, dochter in één te zijn. Ik weet niet wat het is om zelf ziek te zijn en toch te blijven werken. Ik weet niet wat het is om zo veel patiënten op zo korte tijd te moeten afgeven en niet te mogen troosten zoals ik dat zou willen. Ik weet niet wat het is om elke dag volledig ingepakt mensen op hun zwakst te verzorgen. Ik was een helpende hand, voor één namiddag.

Vorig jaar in maart stond ik nog op de COVID-afdeling in het ziekenhuis en schreef ik voor de verpleging daar het volgende: “ik weet dat de voorbije weken heel erg vermoeiend en veeleisend zijn geweest en vermoedelijk zullen de komende weken dat ook nog zijn. De aandacht van buitenaf zal verslappen, de lakens zullen binnengehaald worden en het dagelijkse applaus zal ongetwijfeld verstommen. Vandaar deze boodschap: appreciatie komt van binnen. Van elke patiënt die dankzij jullie zorg het ziekenhuis kon verlaten. Van elke patiënt die jullie, in alle sereniteit, verzorgden tot het laatste moment. Van elk contact, dat jullie in deze bevreemdende en eenzame tijden, toch menselijk probeerden te houden. Dat is waardering die je niet kan vatten in een wit laken of wat handgeklap. Dat is hartverwarmend, motiverend en zo eigen aan ons beroep.” 

Zo denk ik er nog steeds over, maar dat het begint te wegen, dat hoef ik aan niemand te vertellen. Onderweg naar huis bedacht ik me dat ik vergeten was mijn beste wensen over te brengen en dat had nochtans gemogen. Ik wens iedereen het allerbeste, het allermooiste, het allerleukste voor het komende jaar. Maar laat ons eerlijk zijn: het zorgpersoneel en de bewoners van de woonzorgcentra misschien wel het meest van al.

 

Een welgemeende dank aan Ann-sophie V. om bij te springen in dit woonzorgcentrum en voor deze getuigenis uit het hart!